2 Hoe zuurdesem werkt

⏱ 19 min leestijd · Bijgewerkt in juli 2026

In dit hoofdstuk bekijken we de basis van zuurdesemfermentatie. Eerst kijken we naar de enzymatische reacties die in je meel op gang komen zodra je water toevoegt en zo de fermentatie in werking zet. Daarna verdiepen we ons in de gisten en bacteriën die daarbij betrokken zijn, zodat je dat proces beter begrijpt.

Hoe amylasen en proteasen op meel inwerken.

Figuur 2.1: Hoe amylasen en proteasen op meel inwerken.

2.1 Enzymatische reacties

Om te begrijpen wat er allemaal enzymatisch gebeurt zodra meel en water elkaar raken, moeten we eerst naar zaden kijken, en naar hun rol in de levenscyclus van tarwe en andere granen.

Zaden zijn het belangrijkste voortplantingsmiddel van veel planten, tarwe inbegrepen. Elk zaad draagt het embryo van een nieuwe plant in zich, en bevat daarom alle voedingsstoffen die zo’n plant nodig heeft om te groeien.

Een droog zaad ligt in kiemrust en blijft soms jarenlang goed. Zodra het met water in aanraking komt, begint het te ontkiemen. Het zaad wordt een kiem, en daarvoor moeten de opgeslagen voedingsstoffen worden omgezet in iets waar de plant tijdens haar groei mee vooruit kan. Water zet die reacties in gang; de enzymen in het zaad zijn de katalysatoren die ze aandrijven.

In het zaad zitten meestal al de eerste blaadjes van de plant, en met de voedingsstoffen die erin liggen opgeslagen kan het wortel schieten. Zodra die blaadjes door de grond breken en het zonlicht bereiken, beginnen ze te fotosynthetiseren. Dat proces is de motor van de plant: met de energie uit de fotosynthese vormt ze meer wortels en komt ze bij extra voedingsstoffen in de bodem. Van die voedingsstoffen maakt de plant weer meer bladeren, waardoor de fotosynthese toeneemt en ze gedijt in haar nieuwe omgeving.

Eenmaal gemalen kan graan natuurlijk niet meer ontkiemen. Maar de enzymen die dat proces op gang brengen, zitten er nog steeds in. Daarom is het zaak graan niet bij een te hoge temperatuur te malen: daarmee kun je een deel van die enzymen beschadigen.1

Normaal beschermt de zaadhuid de kiem tegen ziekteverwekkers. Maar zodra het graan wordt gemalen, ligt de inhoud van het zaad open en bloot. Ideaal voor de micro-organismen in onze zuurdesem.

Gist en bacteriën kunnen hun eigen voedsel niet maken. Zodra de enzymen actief worden, komt het voedsel dat ze nodig hebben wel vrij, en kunnen ze eten en zich vermenigvuldigen.

De twee belangrijkste enzymen in dit proces zijn amylase en protease. Waarom ze voor de thuisbakker zo enorm belangrijk zijn, wordt zo duidelijk: hun rol bij het maken van zuurdesem is een belangrijk puzzelstukje op weg naar lekkerder brood.

2.1.1 Amylase

Kauw je lang genoeg op een aardappel of een stuk brood, dan proef je op een gegeven moment iets zoets op je tong. Dat komt doordat je speekselklieren amylase aanmaken. Amylase breekt complexe zetmeelmoleculen af tot suikers die makkelijk te verteren zijn; zo zet je lichaam de spijsvertering in gang. De kiem doet precies hetzelfde met hetzelfde enzym: de amylase maakt suikers uit het zetmeel, en daarmee bouwt de plant nieuw weefsel op.

Normaal kunnen de micro-organismen op de buitenkant van de korrel niet bij de vrijgekomen maltosemoleculen, want die zitten verstopt in de kiem. Maar zodra we het graan malen, breekt het grote smullen aan. Hoe warmer het is, hoe sneller die reactie in het algemeen verloopt. Toch heeft amylase tijd nodig om het grootste deel van het zetmeel af te breken tot enkelvoudige suikers—die niet alleen door de gist worden opgegeten, maar ook onmisbaar zijn voor de Maillardreactie—verantwoordelijk voor de diepere bruining tijdens het bakken. Daarom is een lange fermentatie de sleutel tot goed brood.

Ben je hobbybrouwer, dan weet je hoe belangrijk het is om je bier op de juiste temperaturen te houden, zodat de verschillende amylasen het aanwezige zetmeel in suiker kunnen omzetten [24]. Dat is zo belangrijk dat er een veelgebruikte test bestaat om te controleren of al het zetmeel inderdaad is omgezet. Bij die test, de jodium-zetmeeltest, meng je jodium door een monster van je wort en kijk je naar de kleur. Is die blauw of zwart, dan zit er nog niet-omgezet zetmeel in. Ik vraag me af of zo’n test ook voor brooddeeg zou werken.

Industriële bakkers die extra actieve gist gebruiken om in korte tijd brood te maken, lopen tegen hetzelfde probleem aan. Hun oplossing: moutmeel door het deeg. Die zit vol enzymen en versnelt zo de fermentatie. Kijk de volgende keer in de supermarkt eens op de verpakking van het brood dat je koopt. Staat er mout in de ingrediëntenlijst, dan is de kans groot dat deze truc is toegepast.

Er bestaan trouwens twee soorten mout. De ene is enzymatisch actieve mout, die niet boven 70 °C is verhit, de temperatuur waarbij amylasen kapotgaan. De andere is inactieve mout, die wél verder is verhit en dus geen enkel effect op je meel heeft.

2.1.2 Protease

Zoals amylase zetmeel afbreekt tot enkelvoudige suikers, zo breekt protease complexe eiwitten af tot eenvoudiger eiwitten en aminozuren. Omdat tarwe gluten bevat, een eiwit dat onmisbaar is voor de structuur van brood, speelt protease dus een cruciale rol bij het bakken van zuurdesem.

Graankorrels hebben kleinere aminozuren nodig om wortels en ander plantmateriaal te bouwen, dus zodra ze ontkiemen begint het gluten erin af te breken. En omdat water bij meel precies dezelfde enzymen activeert, gebeurt in brooddeeg hetzelfde.

Wie ooit een tarwedeeg dagenlang op kamertemperatuur heeft laten staan, weet uit eigen ervaring dat het glutennetwerk zo ver afbreekt dat het deeg niet meer bij elkaar blijft. Vanaf dat moment scheurt het deeg makkelijk, houdt het geen enkele vorm meer en kun je er geen brood meer van bakken.

Dat overkwam mij toen ik probeerde rechtstreeks vanuit een gedroogde desem te bakken. Na drie tot vier dagen ging de fermentatie zo traag dat het glutennetwerk bezweek. De boosdoener was protease. Zodra je water aan je deeg toevoegt, activeer je protease, en dat gaat meteen aan de slag om aminozuren klaar te maken voor de kiem.

Nog een leuk experiment waarmee je het belang van protease voor je ziet: maak een snel rijzend deeg met een flinke hoeveelheid actieve droge gist. Binnen 1–2 uur zou het gerezen en gegroeid moeten zijn. Bak het en bekijk daarna de kruimstructuur. Die is behoorlijk dicht en lang niet zo luchtig als hij had kunnen zijn. De reden: het enzym protease kreeg niet genoeg tijd om zijn werk te doen.

Tijdens het kneden wordt een deeg eerst elastisch en blijft het goed bij elkaar. Maar naarmate het fermenteert, wordt het losser en rekbaarder [21]. Dat komt doordat protease een deel van de glutenverbindingen op natuurlijke wijze heeft afgebroken, een proces dat proteolyse heet. Daardoor kan de gist het deeg makkelijker opblazen, en daarom is een lange fermentatie onmisbaar als je een luchtige, open kruim in je zuurdesembrood wilt.

Behalve goede ingrediënten is de trage fermentatie een van de hoofdredenen dat Napolitaanse pizza zo lekker is: protease maakt het deeg rekbaar en makkelijk op te blazen, en zo ontstaat die zachte, luchtige rand.

Omdat de fermentatie meestal langer dan 8 uur duurt, kun je beter bloem met een hoger glutengehalte gebruiken. Zo krijgt het deeg meer tijd om door protease te worden afgebroken, zonder dat de elasticiteit eronder lijdt. Met zwakkere bloem loop je het risico dat het deeg zover is afgebroken dat het bij het uitrekken scheurt, en dan vorm je er bijvoorbeeld geen pizzabodem meer van.

Van oudsher wordt pizza met zuurdesem gemaakt, tegenwoordig meestal met actieve droge gist. Zo’n deeg blijft langer goed en is op commerciële schaal veel makkelijker te hanteren. Met zuurdesem heb je misschien dertig tot negentig minuten voordat het deeg achteruitgaat, doordat protease langer doorwerkt én door de bijproducten van de bacteriën, waar we verderop in dit hoofdstuk uitgebreider op ingaan.

2.1.3 Enzymatische activiteit verbeteren

Zoals gezegd is mout een bekende truc om de enzymatische activiteit te versnellen. Zelf gebruik ik liever geen mout, maar een trucje dat ik bij het bakken van volkorenbrood heb geleerd.

Toen ik voor het eerst volkorenbrood ging bakken, kreeg ik de korst, de kruim en de textuur die ik wilde maar niet voor elkaar, wat ik ook probeerde. Mijn deeg was juist vrij snel te ver doorgerezen. Met bloem van een vergelijkbaar glutengehalte kwam mijn brood er daarentegen altijd prima uit.

In die tijd gebruikte ik een lange autolyse, een chic woord voor bloem en water alvast mengen en dat mengsel dan laten staan. De meeste recepten schrijven het voor, omdat het deeg er een enzymatische voorsprong door krijgt, en in het algemeen is dat ook een prima idee. Maar het kan net zo goed anders: gebruik gewoon minder rijsmiddel—bij zuurdesem dus minder desem. Dan verlopen dezelfde biochemische reacties ongeveer even snel, zonder dat je je deeg meerdere keren hoeft te mengen. Mijn volkorenbrood werd stukken beter zodra ik stopte met autolyseren.

Achteraf is het ook logisch wat ik zag. In de natuur komt de buitenkant van het zaad als eerste met water in aanraking; pas als het water die barrière voorbij is, dringt het langzaam door tot de kern van de korrel. Het zaad moet snel ontkiemen om andere zaden in de buurt voor te blijven, en daarvoor moet water er vlot in kunnen. Tegelijk moet het zich verdedigen tegen dieren en tegen mogelijk schadelijke bacteriën en schimmels, en dus is er een barrière nodig die het embryo binnenin beschermt. De plant lost dat allebei op door de meeste enzymen in de buitenste lagen van de korrel te stoppen. Daardoor worden die als eerste geactiveerd [45]. Met een klein beetje volkorenmeel in je deeg krijg je de enzymatische activiteit dus al flink omhoog. Daarom doe ik bij deeg van alleen bloem meestal 10 % tot 20 % volkorenmeel.

Een volkoren zuurdesembrood.

Figuur 2.2: Een volkoren zuurdesembrood.

Als je de twee sleutelenzymen amylase en protease doorhebt, bak je veel gerichter het brood dat jij lekker vindt. Wil je een zachtere of stevigere kruim? Een lichtere of donkerdere korst? Minder gluten in je uiteindelijke brood? Al die dingen stel je bij door simpelweg de snelheid van de fermentatie aan te passen.

2.2 Gist

Gisten zijn eencellige micro-organismen uit het rijk van de schimmels. Ze planten zich voort door knopvorming of door sporen te maken. Die sporen zijn ongelooflijk klein en bestand tegen invloeden van buitenaf: wetenschappers hebben onbeschadigde sporen gevonden van honderden miljoenen jaren oud. De verscheidenheid aan soorten is enorm—tot nu toe zijn er zo’n 1500 beschreven. Anders dan andere leden van het schimmelrijk, zoals gewone schimmels, vormen gisten doorgaans geen myceliumnetwerk [8].2

Saccharomyces cerevisiae: biergist onder de microscoop.

Figuur 2.3: Saccharomyces cerevisiae: biergist onder de microscoop.

Gisten zijn saprotrofe schimmels. Dat betekent dat ze hun eigen voedsel niet maken, maar aangewezen zijn op bronnen van buitenaf die ze kunnen ontleden en afbreken tot stoffen die makkelijker op te nemen zijn. Wat wij tegenwoordig fermentatie noemen, is gist die koolhydraten afbreekt tot koolstofdioxide en alcohol. Dat proces is al duizenden jaren bekend en wordt sinds de oudheid gebruikt om brood en alcoholische dranken te maken.

Gist kan zowel onder aerobe als onder anaerobe omstandigheden groeien en zich vermeerderen. Is er zuurstof, dan maakt ze vrijwel uitsluitend koolstofdioxide en water. Ontbreekt zuurstof, dan schakelt haar stofwisseling om en ontstaan er alcoholverbindingen [7].

De temperaturen waarbij gist groeit, lopen sterk uiteen. Sommige gisten, zoals Leucosporidium frigidum, doen het het best tussen −2 °C en 20 °C, andere houden juist van warmte. In het algemeen geldt: hoe warmer de omgeving, hoe sneller de stofwisseling van de gist. De gistsoorten die je in je desem kweekt, werken meestal het best in het temperatuurbereik waar het graan is geteeld en geoogst. Kom je uit een koudere streek en kweek je je desem op een noordelijke roggevariëteit, dan is de kans groot dat je gist een koelere omgeving prettig vindt.

Bierbrouwers ontdekten bijvoorbeeld een bijzonder nuttige gist in de koude grotten rond de stad Pilsen in Tsjechië. Die gist staat er inmiddels om bekend dat ze bij lagere temperaturen uitstekend bier oplevert, en varianten van deze stammen worden nu gebruikt om populaire pilsners te brouwen.

Gisten komen vrijwel overal voor. Je vindt ze op graankorrels, op fruit en op talloze andere planten in de bodem. Zelfs in je darmen zitten ze! De gistsoorten die wij gebruiken om te bakken, blijken op de bladeren van planten te groeien, al is er over die ecologie nog maar weinig bekend.

Planten worden beschermd door dikke celwanden waar maar weinig schimmels of bacteriën doorheen komen. Toch zijn er soorten die enzymen maken waarmee ze die celwanden kunnen afbreken om de plant binnen te dringen.

Sommige schimmels en bacteriën leven in planten zonder ze enige last te bezorgen. Die heten endofyten. Ze beschadigen hun gastheer niet, ze leven er zelfs in symbiose mee. Ze helpen de plant waarin ze huizen zich te beschermen tegen andere ziekteverwekkers die via de bladeren zouden kunnen binnendringen. Daarnaast helpen ze bij water- en hittestress en bij de beschikbaarheid van voedingsstoffen. In ruil voor die diensten aan hun gastheer krijgen deze schimmels en bacteriën koolstof als energiebron.

Toch is de relatie tussen endofyt en plant niet altijd voor allebei gunstig: onder stress worden ze soms invasieve ziekteverwekkers, die hun gastheer uiteindelijk laten wegrotten [11].

Er zijn ook micro-organismen die, anders dan endofyten, geen celwanden binnendringen maar op het oppervlak van de plant leven en hun voedingsstoffen uit regenwater, uit de lucht of van andere dieren halen. Sommige eten zelfs de honingdauw van bladluizen of het stuifmeel dat op de bladeren neerdaalt. Zulke organismen heten epifyten, en daartoe behoren ook de gistsoorten die wij gebruiken om te bakken.

Opvallend genoeg blijven er, als je de voedselbronnen van buitenaf wegneemt, nog altijd veel epifytische schimmels en bacteriën op het bladoppervlak achter. Ze moeten zich dus op de een of andere manier rechtstreeks met de plant voeden. En inderdaad: onderzoek wijst erop dat sommige planten met opzet stoffen afscheiden langs hun oppervlak, zoals suikers, organische zuren en aminozuren, methanol en allerlei zouten. Die voedingsstoffen trekken vervolgens de epifyten aan die op het oppervlak van de plant leven.

Epifyten zijn gunstig voor de overleving van de plant, want die krijgt er extra bescherming tegen schimmel en andere ziekteverwekkers voor terug. Het is voor de epifyten dan ook zaak hun gastheer zo lang mogelijk in leven te houden [42].

Er wordt steeds meer onderzoek gedaan naar manieren om gisten als biologisch bestrijdingsmiddel in te zetten en zo planten te beschermen. Het voordeel: zulke middelen zijn veilig in voedsel, want de betreffende giststammen gelden als ongevaarlijk voor de mens. De gisten groeien en vermeerderen zich op de bladeren en schermen de plant zo af tegen andere schimmels. Voor wijngaarden die met meeldauw kampen, kan dat het verschil maken.

Zulke biologische middelen zouden planten ook kunnen beschermen tegen moederkoren, de psychoactieve schimmel die het goed doet in koelere, vochtigere omstandigheden en voor roggetelers een flink probleem vormt. Wetgevers hebben de toegestane hoeveelheid moederkoren in roggemeel onlangs verlaagd, omdat de schimmel het graan aantast en het door de hoge levertoxiciteit ongeschikt maakt voor consumptie. Gisten zouden die besmetting kunnen indammen.

Italiaanse onderzoekers deden nog een interessant experiment dat laat zien hoe belangrijk gisten voor de bescherming van onze gewassen kunnen zijn. Eerst maakten ze kleine sneetjes in een aantal druiven aan een wijnstok. Daarna brachten ze schimmel in die wondjes aan. Bij een deel bleef het daarbij; bij de rest entten ze er ook een van de 150 verschillende wilde giststammen bij die ze van de bladeren hadden geïsoleerd. Wondjes die met gist waren geënt, liepen nauwelijks schade op [4].

Er is trouwens ook een experiment gedaan waaruit blijkt dat biergist zich als een agressieve ziekteverwekker voor wijnstokken kan gedragen. In eerste instantie leefde de gist in symbiose met de planten, maar zodra de stokken zwaar beschadigd raakten, werd ze opportunistisch en ging ze in de aanval. Ze vormde zelfs hyfen, het myceliumnetwerk dat je normaal met schimmels associeert, om zo het weefsel van de planten binnen te dringen.

2.3 Bacteriën

De andere allesbepalende microbiële spelers in je zuurdesem zijn bacteriën. Ze zijn zelfs zo dominant dat ze de gist in je deeg met 100 tegen 1 in aantal overtreffen. Waar gist voor de rijskracht zorgt, maken bacteriën de kenmerkende smaken waar zuurdesem zijn naam aan dankt. Die komen van de zure bijproducten die ontstaan als de bacteriën eten. Mooi meegenomen: die zuren verlengen de houdbaarheid van zuurdesembrood aanzienlijk [13].

Fructilactobacillus sanfranciscensis onder de microscoop.

Figuur 2.4: Fructilactobacillus sanfranciscensis onder de microscoop.

In zuurdesembrood ontstaan vooral twee zuren: melkzuur en azijnzuur. Qua smaak heeft melkzuur duidelijk zuivelachtige tonen, terwijl azijnzuur naar azijn smaakt (en daar ook echt het hoofdbestanddeel van is!). Die zure bijproducten komen van zowel homofermentatieve als heterofermentatieve melkzuurbacteriën.

Homofermentatief betekent dat de bacteriën tijdens de fermentatie één stof produceren, in dit geval melkzuur. Heterofermentatief betekent daarentegen dat er ook andere stoffen ontstaan: hier niet alleen melkzuur, maar ook azijnzuur, plus ethanol en zelfs wat koolstofdioxide, twee bijproducten die je normaal met gist associeert. Een tamelijk beroemde melkzuurbacterie, Fructilactobacillus sanfranciscensis, dankt haar naam aan het al even beroemde zuurdesembrood in San Francisco-stijl. De eerste geïsoleerde cultuur kwam uit een bakkerij in die stad, vandaar.

Gist en bacteriën strijden om dezelfde voedselbron: suiker. Sommige onderzoekers melden dat bacteriën vooral maltose eten en gist de voorkeur geeft aan glucose. Andere schrijven dat de bacteriën leven van de bijproducten van de gist en omgekeerd. Dat klinkt logisch, want de natuur is doorgaans uitstekend in composteren en in het afbreken van biologisch materiaal [9].

Ik heb nog geen goede bron gevonden die de symbiose tussen gist en bacteriën helder beschrijft, maar zoals ik het nu begrijp bestaan ze naast elkaar en helpen ze elkaar soms wel en soms niet. Gist verdraagt bijvoorbeeld het zure milieu dat de bacteriën eromheen scheppen en is daardoor beschermd tegen andere ziekteverwekkers. Tegelijk laat ander onderzoek zien dat beide typen micro-organismen stoffen maken die de ander beletten voedsel om te zetten—een interessante waarneming trouwens, want die kan helpen om nieuwe antibiotica of fungiciden te vinden [27].

Vroeger heb ik paddenstoelen gekweekt, en toen zag ik hoe het mycelium zich probeerde te verdedigen tegen de bacteriën eromheen; allebei maakten ze actief stoffen aan om de ander te bestrijden. Na een tijdje leek het gevecht op een patstelling uit te lopen: het mycelium was volledig om de bacteriekolonie heen gegroeid en hield die zo op haar plek. Ik kan me voorstellen dat er iets soortgelijks in onze desems speelt, al is de omgeving daar veel vloeibaarder, waardoor dat gevecht overal in het deeg gevoerd moet worden en niet alleen op één afgezonderd plekje. Er is meer onderzoek nodig om beter te begrijpen hoe de relatie tussen gist en bacteriën precies in elkaar zit.

Nog een interessante eigenschap van zuurdesembacteriën is het vermogen om de eiwitten in je deeg af te breken en op te eten. Heb je al eens zuurdesem gebakken, dan heb je dat waarschijnlijk zelf gemerkt. In het gedeelte Enzymatische reacties las je al dat protease het glutennetwerk in je deeg afbreekt, met een plakkerige bende tot gevolg als je het te lang laat staan. Ook de bacteriën eten en breken het gluten in je deeg af, via een proces dat proteolyse heet.

Toen ik net met zuurdesem begon, was dat voor mij een groot raadsel. Aan de ene kant wordt het deeg er plakkeriger van. Aan de andere kant wordt het rekbaarder en makkelijker te verwerken. Naarmate er minder gluten overblijft, kunnen de micro-organismen het deeg makkelijker opblazen en gaat het rijzen. Vergelijk het met de moeite die het kost om een dikke rubberen ballon op te blazen tegenover een dun, breekbaar ballonnetje: dat laatste lukt zo met je mond, dat eerste niet.

Het zal geen verrassing zijn dat proteolyse nog verder versneld wordt door het eerder besproken enzym protease, dat gluten helpt af te breken tot kleinere aminozuren die makkelijker op te nemen zijn.

Dit is voor mij het wonderlijke aan fermentatie. Eet je zuurdesembrood, dan eet je niet zomaar meel en water, maar het eindresultaat van ingewikkelde biologische processen van bacteriën en gist. Door dat extra bacteriële aandeel bevat zuurdesembrood doorgaans minder gluten dan een deeg dat alleen op gist drijft [6]. Bovendien zetten de homofermentatieve bacteriën de ethanol om die de gist en de andere heterofermentatieve melkzuurbacteriën produceren. In beide gevallen zijn de meeste stoffen die overblijven organische zuren. Elke natuurlijke grondstof in je zuurdesembrood wordt hergebruikt door de micro-organismen erin, die allemaal zo lang mogelijk proberen te eten wat er te halen valt, en met elke voeding worden ze er beter in.

Welk smaakprofiel je ook het lekkerst vindt, je kunt sturen op het ene of het andere organische zuur. Voor azijnzuur is zuurstof nodig, dus door je desem zuurstof te onthouden geef je de homofermentatieve melkzuurbacteriën een zetje. Op den duur worden zij dominant en verdringen ze de azijnzuurvormers [3].

De optimale fermentatietemperatuur van je melkzuurbacteriën hangt af van de stammen die je in je desem hebt gekweekt. Meestal werken ze het best bij de temperatuur waarbij je je desem hebt opgezet, want daarmee heb je al geselecteerd op bacteriën die het onder die omstandigheden goed doen.

In een opmerkelijk experiment onderzochten wetenschappers de melkzuurbacteriën op maïsbladeren. Ze verlaagden de omgevingstemperatuur van 20 °C tot 25 °C naar ongeveer 5 °C tot 10 °C, en zagen daarna bacterievariëteiten die nooit eerder waren waargenomen [14]. Dat bevestigt dat er inderdaad een grote verscheidenheid aan bacteriestammen op de bladeren van de plant leeft.

Je zou trouwens een vergelijkbaar experiment kunnen doen door een desem bij een lagere temperatuur op te starten. In theorie past het microbioom zich aan, omdat de micro-organismen die het best gedijen bij lage temperaturen de overhand krijgen. Het zou interessant zijn om te zien of je daarmee de smaak van het brood echt kunt sturen.

Nog één kanttekening tot slot: sommige bronnen zeggen dat fermenteren bij een lagere temperatuur meer azijnzuur oplevert, en fermenteren bij een hogere temperatuur meer melkzuur. In mijn eigen proeven kon ik dat niet bevestigen. Ook daar is meer onderzoek voor nodig.

1Uit recent onderzoek [47] blijkt dat thuis malen met een kleine molen geen noemenswaardig nadelig effect had op de kwaliteit van het brood, vergeleken met meel uit grootschalige molens met temperatuurregeling.

2Een interessante uitzondering vind je aan het eind van dit gedeelte, op pagina 44.